Verhuur van een deel van de eigen woning aan zijn vennootschap – Hoe aangeven ?

Het gebeurt vaak dat een bedrijfsleider een deel van zijn gezinswoning ter beschikking stelt van zijn vennootschap. Dit komt tegemoet aan een nood aan werkruimte in hoofde van de vennootschap en is overigens, binnen de perken van de wet, een fiscaal interessante manier om middelen uit de vennootschap te halen.

Het gebeurt vaak dat een bedrijfsleider een deel van zijn gezinswoning ter beschikking stelt van zijn vennootschap. Dit komt tegemoet aan een nood aan werkruimte in hoofde van de vennootschap en is overigens, binnen de perken van de wet, een fiscaal interessante manier om middelen uit de vennootschap te halen. In tegenstelling tot de bezoldigingen worden de verkregen huurgelden immers niet onderworpen aan sociale bijdrages, enerzijds, en kan een voordelig kostenforfait worden toegepast op de verkregen huur, anderzijds.

Het verhuren van een deel van de ‘eigen’ woning (woning die u zelf betrekt) heeft uiteraard een invloed op de manier waarop de huurinkomsten moeten worden aangegeven.

Wordt een deel van de ‘eigen’ woning gebruikt voor beroepsactiviteiten, verhuurd of gebruikt door derden, dan zal het gedeelte van het kadastraal inkomen (KI) met betrekking tot dat deel niet geacht ‘eigen’ te zijn en zal bijgevolg niet vrijgesteld zijn. Men zal dus het verhuurde gedeelte van het KI van de woning (bijvoorbeeld 25% van het KI) moeten aangeven in Vak III, A, 5. a), codes 11/2109. De brutohuur, voor het deel niet geherkwalificeerd in bezoldiging (grens : 5/3 x niet geïndexeerd KI x 4,23), zal moeten aangegeven worden in de codes 11/2110.

Indien de bedrijfsleider privé een hypothecair krediet heeft afgesloten ter financiering van zijn ‘eigen’ woning, zal het verhuren van een deel ervan aan zijn vennootschap niet alleen een impact hebben op de aangifte van de huurinkomsten, maar ook op de aangifte van de terugbetalingen van zijn krediet.

Laten we als hypothese nemen dat het krediet van de bedrijfsleider in aanmerking komt voor het fiscaal voordeel van de ‘woonbonus’ (in beginsel kredieten afgesloten vanaf 2005).

De kapitaalaflossingen moeten in beginsel niet opgesplitst worden in een deel ‘privé’ en een deel ‘verhuurd’. Wat de interesten betreft met betrekking tot het verhuurde gedeelte van de woning, zullen zij eveneens kunnen worden aangegeven in het kader van de ‘woonbonus’ althans indien de verhuring slechts aanvangt na 31 december van het jaar waarin de lening is aangegaan. In het ander geval zullen ze niet in de ‘woonbonus’ kunnen worden aangegeven maar zullen ze wel afgetrokken kunnen worden van het onroerend inkomen (aangifte in codes 11/2146). Een onroerend inkomen is effectief aangegeven voor het verhuurde gedeelte van de gezinwoning (zie supra, codes 11/2110). De belastingplichtige zal echter vaak voordeel hebben de interesten met betrekking tot het verhuurde gedeelte aan te geven in aftrek van het onroerend inkomen, eerder dan in de ‘woonbonus’. Zijn fiscale korf ‘woonbonus’ zal inderdaad vaak reeds gevuld zijn met de kapitaalaflossingen en de ‘privé’ interesten.

De nieuwigheid van dit jaar is het feit dat een splitsing federaal/gewest voortaan ook zal moeten worden doorgevoerd voor de kapitaalaflossingen, en niet enkel meer voor de interesten. Het verhuurde gedeelte van de woning wordt immers niet meer beschouwd als ‘eigen’ woning en zal bijgevolg onder de federale bevoegdheden vallen. De kapitaalaflossingen met betrekking tot het verhuurde gedeelte van de woning (bijvoorbeeld 25%) zullen dus recht geven op de federale ‘woonbonus’ (Vak IX, Rubriek C, 1., codes 13/2370). De kapitaalaflossingen met betrekking tot het privé gedeelte van de woning (bijvoorbeeld 75%) zullen recht geven op de gewestelijke ‘woonbonus’ (Vak IX, Rubriek B, 1., codes 3370/4370). Let wel dat deze 75% ‘privé’ vaak reeds zullen volstaan om de fiscale korf te vullen en de 25% ‘verhuurd’ geen enkel fiscaal voordeel meer zullen opleveren. De interesten, indien niet aangegeven in codes 11/2146, en dus aangegeven in de ‘woonbonus’ (zie supra), zullen eveneens de splitsing federaal/gewest volgen (respectievelijk verhuurd gedeelte/privé gedeelte).

Bron: www.mysavings.be

 

Lees ook:

 

Optimalisatie van de aangifte van kapitaalaflossingen en levensverzekeringspremies tussen echtgenoten

Hoe uw aftrek optimaliseren wat betreft de kapitaalaflossingen en interesten van uw lening ? Deze optimalisatie is mogelijk voor de personen die niet in het kader van de ‘woonbonus’ vallen, dit wil zeggen de personen voor wie het niet de ‘enige en eigen’ woning betreft.

Hoe uw aftrek optimaliseren wat betreft de kapitaalaflossingen en interesten van uw lening ?

Deze optimalisatie is mogelijk voor de personen die niet in het kader van de ‘woonbonus’ vallen, dit wil zeggen de personen voor wie het niet de ‘enige en eigen’ woning betreft.

De belastingplichtigen kunnen in dat geval afzonderlijk 3 bestanddelen aangeven :

  1. De premies van levensverzekeringen
  2. De kapitaalaflossing
  3. De interesten op de lening

De levensverzekeringspremies en de kapitaalaflossingen vallen in dezelfde fiscale korf. Teneinde deze te optimaliseren moet men eerst de kapitaalaflossing aangeven. Dit moet men vervolgens aangeven tussen de echtgenoten (of wettelijk samenwonenden) onderling rekening houdend met hun belastbaar netto beroepsinkomen.

Het maximale aftrekbaar bedrag van de levensverzekeringspremies en kapitaalaflossingen geeft recht op een belastingvermindering, beperkt, per echtgenoot, tot 169,20 € (171 € voor de regio’s) + 6% van het netto belastbaar beroepsinkomen, met een absoluut plafond van 2.260 € (voor de federale belastingvermindering, voor de regionale belastingvermindering bedraagt het plafond 2.280 €).

Het komt dus vaak voor dat echtgenoten verschillende fiscale korven hebben of dat deze reeds opgevuld wordt door een premie van een levensverzekering voor de ene echtgenoot en niet voor de andere. Het is dus perfect mogelijk dat wanneer men de kapitaalaflossing eenvoudig in 2 deelt onder de echtgenoten, men voor ene echtgenoot het plafond of meer bereikt terwijl voor de andere echtgenoot nog fiscale ruimte beschikbaar is.

De fiscus werd gedwongen door een beslissing van het Hof van Cassatie te aanvaarden dat de kapitaalaflossing optimaal wordt gespreid tussen de echtgenoten, wat ook de verdeling van de overlijdensdekking is of het huwelijksvermogensstelsel. De voorwaarde is dat de echtgenoten de lening hoofdelijk en ondeelbaar hebben afgesloten en dat ze allebei mede-eigenaars zijn. Het aandeel in het eigendomsrecht van iedere echtgenoot heeft geen belang (1% volstaat).

Concreet voorbeeld van optimalisatie (echtgenoten en wettelijk samenwonenden) in het kader van de regionale aftrek

Echtgenoot : netto beroepsinkomen – forfaitaire kosten 28.000 €
Echtgenote : netto beroepsinkomen – forfaitaire kosten 18.000 €
De echtgenoot betaalt een premie voor een levensverzekering 300 €
Kapitaalaflossingen die in aanmerking komen 2.800 €

Berekening van het maximaal bedrag :

  • (28.000€ * 6%) + 171€ = 1.851 €
  • (18.000€ * 6%) + 171€ = 1.251 €

Aan te geven bedrag (indien verdeling 50/50) :

  • Echtgenoot : 1.851€ – 300€ – 1.400 € = 151 €  
  • Echtgenote : 1.251€ – 1.400€ = 0 €
  • In dit geval worden dus 151 € van de aftrek niet benut

Aan te geven bedrag (indien optimale verdeling) :

  • Echtgenoot : 1.851€ – 300€ – 1.549€= 2€
  • Echtgenote : 1.251€ – 1.251€ = 0€
  • In dit geval worden dus slechts 2 € van de aftrek niet benut

Wat de aftrekbare interesten betreft is het principe de volgende. De interesten zijn aftrekbaar van het belastbaar onroerend inkomen (komen voor in dat inkomen o.a. de KI’s van uw verschillende onroerende goederen). Eens deze aftrek is gebeurd, wordt het netto bedrag toegevoegd aan uw andere inkomens en wordt u derop belast. Zoals de kapitaalaflossingen kunnen de interesten onder dezelfde voorwaarden verdeeld worden tussen echtgenoten op een optimale manier.

Optimalisatie is hier mogelijk indien het bedrag aan interesten niet volstaat om het onroerend inkomen volledig te dekken.

Voorbeeld:

Echtgenoot : onroerend inkomen vóór aftrek van interesten 4.000 €
Echtgenote : onroerend inkomen vóór aftrek van interesten 3.000 €
Beroepsinkomen echtgenoot 36.000 €
Beroepsinkomen echtgenote 12.000 €
Totale interesten 5.000 €

Optimalisatie:

Het is aangeraden maximaal interesten aan te geven bij de echtgenoot (4.000 € in dit geval) omdat het netto bedrag zal toegevoegd worden aan het bedrag van zijn andere inkomsten die hoger zijn en dus belast worden in de hogere schijven.

Bron: www.mysavings.be

 

Lees ook:

 

Fiscaal voordeel voor leningen afgesloten vóór 2005 en voor een tweede woning

De betalingen van uw krediet kunnen voor twee andere regimes in aanmerking komen: de belastingvermindering voor het bouwsparen en de belastingvermindering voor het lange termijnsparen.

Tot hier toe hebben we voornamelijk de belastingvermindering voor de ‘woonbonus’ besproken. Dit is het belastingvoordeel die u geniet voor een krediet aangegaan voor uw ‘enige en eigen’ woning vanaf 01/01/2005.

De betalingen van uw krediet kunnen echter nog voor twee andere regimes in aanmerking komen, nl. :

  • De belastingvermindering voor het bouwsparen
  • De belastingvermindering voor het lange termijnsparen

Deze twee fiscale voordelen volgen dezelfde logica. Het bouwsparen zal echter een groter fiscaal voordeel opleveren op het vlak van het tarief van de belastingvermindering en op het vlak van het bedrag dat mag worden aangegeven, mits aan bepaalde bijkomende voorwaarden is voldaan.

De kapitaalaflossingen en premies van levensverzekeringen verbonden aan het krediet komen immers in aanmerking voor de belastingvermindering ‘bouwsparen’ indien de hypothecaire lening is aangegaan vóór 2005 en op voorwaarde dat de lening op de dag dat zij is aangegaan betrekking had op de ‘eigen’ woning – wat leningen betreft tot 1992 – of op de ‘enige’ woning – wat leningen betreft vanaf 1993. Betreft de lening een tweede woning, dan zal in beginsel het voordeel voor ‘lange termijnsparen’ van toepassing zijn.

Let wel, de kapitaalaflossingen zullen slechts in aanmerking komen voor een belastingvermindering indien de lening hypothecair is en afgesloten is bij een in de Europese Economische Ruimte (EER) gevestigde instelling voor het verwerven, bouwen of verbouwen van een in de EER gelegen woning met een minimumlooptijd van 10 jaar.

Het aan te geven bedrag dat in aanmerking komt voor belastingvermindering (kapitaalaflossingen en premies), zal afhangen van het netto beroepsinkomen met een wettelijk maximum van 2.280 € (Vlaanderen, Wallonië en Brussel, AJ 2015). Indien men aan de voorwaarden voldoet voor het ‘bouwsparen’ kan de schijf van de lening die in aanmerking komt voor belastingvermindering verhoogd worden en kan men zo een hoger bedrag aangeven (basisbedrag 76.110 €, AJ 2015).

Tenslotte zal het ‘bouwsparen’ een verhoogde belastingvermindering opleveren tegen het marginaal tarief in de personenbelasting, d.w.z. dat de belastingvermindering wordt berekend als volgt:

kapitaalaflossing en/of de premie van de levensverzekering x marginale aanslagvoet (snel 50%) = verhoogde belastingvermindering

Bij het ‘lange termijnsparen’ zal het belastingvoordeel slechts berekend worden tegen een vast tarief van 30%.

Waar moet ik nu de betalingen aangeven met betrekking tot mijn lening aangegaan vóór 2005 ?

Heeft u een lening aangegaan vóór 2005 die u tot aanslagjaar 2014 (inkomsten 2013) aangaf in het ‘bouwsparen’, dan zal u dat mogen blijven doen indien er niets veranderd is.

Let wel, u zal moeten oppassen voor de nieuwe opdeling tussen ‘eigen’ woning en ‘niet-eigen’ woning (zie vorige artikels omtrent het begrip ‘eigen’ woning). De ‘eigen’ woning geniet immers van de gewestelijke belastingvoordelen terwijl de ‘niet-eigen woning’ een federale bevoegdheid is gebleven.

Is de woning waarvoor vóór 2005 werd geleend nog steeds uw ‘eigen’ woning, dan zal u de kapitaalaflossingen en premies moeten aangeven, met toepassing van de nodige beperkingen, in Vak IX, rubriek B (gewestelijke vermindering), respectievelijk punt 4. a) en 5. a). Daar vindt u immers de vertrouwde codes van het ‘bouwsparen’ terug, weliswaar voortaan in de gewestelijke rubriek B.

De interesten kan u ook blijven aangeven in rubriek B, 3, c), code 3146 (gewone belastingvermindering voor interesten, niet bijkomende belastingvermindering voor interesten). Let wel, indien u nog interesten aangeeft m.b.t. een lening ‘eigen’ woning aangegaan vóór 2005, moet het niet-geïndexeerde KI van de woning worden aangegeven in Vak IX, rubriek B, 3. a), code 31/4100 en niet meer in Vak III Inkomsten van onroerende goederen.

Is de woning waarvoor vóór 2005 werd geleend echter niet meer uw ‘eigen’ woning, dan zal u daarentegen de kapitaalaflossingen en premies moeten aangeven, met toepassing van de nodige beperkingen, in Vak IX, rubriek C (federale vermindering). Hier moet wel een onderscheid worden gemaakt naargelang de lening tot 1992 dan wel vanaf 1993 werd afgesloten. Is de lening tot 1992 afgesloten, dan vervult u niet meer de voorwaarde ‘eigen’ woning (zie supra) en valt u terug op de lagere federale belastingvermindering voor het ‘lange termijnsparen’. Werd de lening daarentegen afgesloten vanaf 1993, dan kan u nog steeds genieten van het federale ‘bouwsparen’. De kapitaalaflossingen en premies worden dan aangegeven in Vak IX, rubriek C (federale vermindering), respectievelijk punt 4. a) en 5. a).

De interesten kan u steeds blijven aangeven in Vak IX, rubriek C, 3. b), code 11/2146 (gewone belastingvermindering voor interesten).

Bron: www.mysavings.be

Lees ook:

Een voorbeeld ter illustratie van het begrip eigen woning en voorwaarden woonbonus

Zo weet men dat de ‘eigen’ woning meestal de woning zal zijn die men zelf betrekt. In sommige gevallen kan men echter de ‘eigen’ woning niet zelf betrekken, bijvoorbeeld voor beroepsredenen of redenen van sociale aard. De woning wordt dan toch beschouwd als ‘eigen’ woning.

We hebben reeds het begrip ‘eigen’ woning toegelicht in vorige artikels. Zo weet men dat de ‘eigen’ woning meestal de woning zal zijn die men zelf betrekt. In sommige gevallen kan men echter de ‘eigen’ woning niet zelf betrekken, bijvoorbeeld voor beroepsredenen of redenen van sociale aard. De woning wordt dan toch beschouwd als ‘eigen’ woning.

Verder is het onderscheid ‘eigen’ en ‘niet eigen’ woning van belang om te weten of het fiscaal voordeel voor de lening gewestelijk dan wel federaal is. Zoals geweten zijn de Gewesten nu exclusief bevoegd voor de ‘eigen’ woning.

Belangrijk om te weten is dat de beoordeling of een woning al dan niet de ‘eigen’ woning is, van dag tot dag gebeurt.

Voor de meeste mensen die geen verhuis achter de rug hebben in 2014 zal de aangifte relatief hetzelfde blijven. Zo zal een koppel die voorheen van de woonbonus genoot voor de lening op hun enige en eigen woning nog steeds kunnen genieten van hetzelfde fiscaal voordeel, weliswaar onder de vorm van een belastingvermindering, en op voorwaarde natuurlijk dat het nog steeds hun ‘eigen’ woning is.

Hetgeen wel verandert, zijn de codes van de aangifte waar ze de interesten, kapitaalaflossingen en levensverzekeringspremies moeten aangeven. Hun ‘eigen’ woning zal voortaan immers genieten van de gewestelijke woonbonus die moet aangegeven worden in Vak IX, rubriek B , 1 en 2, codes 3370/ 4370 en 3371/4371 en niet meer in de codes 1370/2370 en 1371/2371 die nu gelden voor de federale woonbonus (rubriek C).

Het wordt wel een beetje ingewikkelder indien u van plan bent te verhuizen. Hierna volgt een voorbeeld ter illustratie :

Stefanie en Tim zijn tot 31/05/2014 eigenaar van Woning 1 die kan beschouwd worden als hun ‘eigen’ woning.  Op 1/03/2014 kopen ze Woning 2 aan (met kadastraal inkomen KI = 1.500 €). Deze woning zullen ze echter pas betrekken op 01/02/2015.  Woning 2 kan beschouwd worden als ‘eigen’ woning vanaf 01/06/2014.  Ze sloten reeds in 2014 een hypothecaire lening af ten belope van 200.000 € met een kapitaalaflossing van 9.000 € die als volgt kan opgesplitst worden : 3.700 € tot 31/05 en 5.300 € vanaf 01/06. De interesten ten belope van 6.000 €, opgesplitst 2.500 € tot 31/05 en 3.500 € vanaf 01/06.  Aangezien het begrip ‘eigen’ woning en het daarbij horende fiscaal voordeel van dag tot dag moeten beoordeeld worden, zal een opsplitsing van de betalingen noodzakelijk zijn.

De aangifte moet als volgt :

  • Het KI van Woning 2 moet pro rata worden aangegeven in code 1106/2106, aangezien het niet de ‘eigen’ woning is van 01/03 tot 31/05. D.w.z. 1.500 € x (31 + 30 + 31 = 92)/365 = 378 €.
  • Wat betreft de belastingverminderingen voor de betalingen van de lening :
    • Kapitaalaflossingen tot 31/05 (‘niet eigen’ woning) komen in aanmerking voor het federale lange termijnsparen, code 1358/2358 = 3.700 x 75.270/200.000 = 1.392,49 €;
    • De interesten tot 31/05 zijn federaal aftrekbaar in code 1146/2146 = 2.500 €;
    • Kapitaalaflossingen en interesten vanaf 01/06 (‘eigen’ woning) komen in aanmerking voor de gewestelijke woonbonus, aan te geven in code 3370/4370.
      De kapitaalaflossingen ten belope van 5.300 € en de interesten ten belope van 3.500 €, dit is 8.800 € steeds te beperken tot 2 x 3.040 € (maximale woonbonus).
      Opgelet, aangezien ze genieten van de maximale woonbonus is er geen voordeel meer voor het federaal lange termijnsparen.

Tenslotte vermeldt men dat, om te genieten van het fiscaal regime van de woonbonus, de woning op 31/12 van het jaar van de lening ook de enige woning van de kredietnemer moet zijn. In voorgaand voorbeeld verkopen ze hun eerste woning op 31/05/2014, hetgeen ervoor zorgt dat de nieuwe lening kan genieten van de woonbonus.

De wet voorziet echter een paar uitzonderingen. Er wordt nl. geen rekening gehouden met een andere woning die op 31/12 van het jaar van de lening op de vastgoedmarkt te koop is aangeboden.

Dat zal het geval zijn indien de belastingplichtige kan aantonen dat hij een beroep heeft gedaan op een vastgoedmakelaar (die deze woning effectief te koop heeft gesteld) of indien hij een advertentie heeft geplaatst.

Let wel dat indien de desbetreffende woning op 31/12 van het jaar volgend op het jaar van de lening niet daadwerkelijk is vervreemd, de gewestelijke woonbonus nooit meer kan worden verleend en men terug zal vallen op de federale belastingvermindering voor het lange termijnsparen.

Bron: www.mysavings.be

Lees ook:

 

 

De Woonbonus vandaag en in de toekomst

Zoals uitgelegd in ons vorig artikel, zijn de fiscale aftrekken verbonden aan de ‘eigen’ woning voortaan een gewestelijke materie. Maar laat ons wat achteruit kijken en laten we de fiscale aftrekken die u tot nog toe kon genieten analyseren, en de impact van de regionalisering ervan.

Zoals uitgelegd in ons vorig artikel, zijn de fiscale aftrekken verbonden aan de ‘eigen’ woning voortaan een gewestelijke materie. Maar laat ons wat achteruit kijken en laten we de fiscale aftrekken die u tot nog toe kon genieten analyseren, en de impact van de regionalisering ervan.

Er bestaat vandaag drie voornaamste categoriën van aftrekken voor uw hypothecaire kredieten verbonden aan vastgoed :

  • De « Woonbonus » (vroeger federaal, nu regionaal en federaal)
  • Het Bouwsparen
  • Het Langetermijnsparen

In dit artikel worden de bijzonderheden van de « Woonbonus » aangekaart. De twee andere aftrekken zullen behandeld worden in de volgende weken.

«Woonbonus»

  • Deze aftrek betreft de hypothecaire kredieten afgesloten vanaf 1/1/2005 voor een enige en eigen woning. Deze laat onder andere toe een hogere aftrek te genieten gedurende de eerste 10 jaren (zie verder). Indien u op het moment van het afsluiten van het krediet meerdere woningen bezit, zal u niet kunnen genieten van de woonbonus. Bepaalde uitzonderingen laten echter toe meerdere woningen te bezitten, zoals bijvoorbeeld, indien de woning ingevolge erfenis werd verkregen en dat de belastingplichtige mede-eigenaar is en niet enige eigenaar.
  • De lening moet afgesloten zijn voor een looptijd van minstens 10 jaar, dienen om de woning, gelegen in een land van de Europese Economische Ruimte (EER), te verwerven of te behouden en moet hypothecair zijn.
  • Indien de woning steeds uw ‘eigen’ woning is, wordt de aftrek regionaal (zie voorgaand artikel over het begrip ‘eigen’ woning, die een bevoegdheid van de Regio’s is geworden).
  • De aftrek zal federaal zijn voor de leningen afgesloten tussen 1/1/2005 (voor diegene die een lening hebben die werd afgesloten voor die datum met toepassing van het oude systeem, wordt het gehandhaafd) en 31/12/2013 indien de woning vandaag het statuut van ‘eigen’ woning niet meer heeft.
  • Indien daarentegen een lening werd afgesloten vanaf 2014 en dat de woning niet het statuut van ‘eigen’ woning had (bijvoorbeeld : u ging verhuizen, had al uw nieuwe woning aangekocht maar had uw oude woning nog niet verkocht), zal u niet kunnen genieten van de federale woonbonus terwijl u wel zal kunnen genieten van de regionale woonbonus (indien de verkoop echter plaatsvindt ten laatste op 31 december volgend op het kredietjaar).
  • Op praktisch vlak, de codes van de aangifte in verband met de regionale aftrekken beginnen met de cijfer 3 of 4, terwijl de federale codes beginnen met 1 of 2.

Welk fiscaal voordeel ?

  • Tot vorig jaar liet de woonbonus toe om de interesten, de aflossingen van kapitaal van de lening en de premies van de levensverzekering af te trekken van het globaal belastbaar inkomen. Het fiscaal voordeel werd dus berekend aan het marginaal tarief, d.w.z. aan de hoogste belastingsschijf (vaak 45% of 50%).
  • Vanaf dit jaar is het geen fiscale aftrek meer maar een belastingvermindering aan het marginaal tarief. Concreet, voor iemand die een marginaal tarief van 45% heeft, zal de belastingvermindering nog altijd 45% van de uitgave bedragen. Het globaal inkomen wordt echter niet meer verminderd en daardoor kunnen andere fiscale besparingen wegvallen (lagere belastingvrije som voor lage inkomens, de bijzondere bijdrage sociale zekerheid kan verhogen, het recht op belastingkrediet voor dienstencheques kan wegvallen, enz.).
  • Vanaf volgend jaar, d.w.z. voor de hypothecaire leningen aangegaan voor de enige en eigen woning afgesloten vanaf 01/01/2015, zal de belastingvermindering verschillen naargelang de Regio !

 

Gewest

Basisbedrag*

Verhoging**

Totaal

3 of + kinderen ten laste

totaal

Vlaanderen (lening <31/12/2014)

2.280

760

3.040

80

3.120

Vlaanderen (lening >01/01/2015)

1.520

760

2.280

80

2.360

Brussel en Wallonië

2.290

760

3.050

80

3.130

Federaal

2.260

750

3.010

80

3.090

 

* Basisbedrag : maximaal aftrekbaar bedrag. Het inkomen van de belastingplichtige heeft hierop geen invloed. Iedereen heeft recht op dat basisbedrag.

** Verhoging van het basisbedrag gedurende de eerste 10 jaren.

Het tarief van de belastingvermindering voor de leningen afgesloten vanaf 2015 wordt vastgelegd op 40% voor Vlaanderen en Wallonië en 45% voor Brussel. Het is merkwaardig vast te stellen dat het de Gewesten zijn die financieel niet het sterkste staan die vandaag de meest gunstige regimes garanderen voor de toekomst. De vraag kan zich dan stellen over de duurzaamheid van dergelijke systemen op lange termijn.

Bron: www.mysavings.be

Lees ook:

Zesde Staatshervorming en begrip van eigen woning

De zesde staatshervorming heeft onder andere tot gevolg dat een reeks bevoegdheden nu geregionaliseerd zijn. Concreet betekent dit dat het fiscaal regime, en bijgevolg de belastingvermindering afhangt van het Gewest waarin u woont. Onder welk regime valt u ?

De zesde staatshervorming heeft onder andere tot gevolg dat een reeks bevoegdheden nu geregionaliseerd zijn. Concreet betekent dit dat het fiscaal regime, en bijgevolg de belastingvermindering afhangt van het Gewest waarin u woont.

I.v.m. de onroerende fiscaliteit werden bepaalde bevoegdheden geregionaliseerd en andere zijn federaal gebleven. U zal dus in de fiscale aangifte 2015 vakken terugvinden die gelinkt zijn aan de regionale belastingvermindering en vakken die betrekking hebben op de federale belastingvermindering. De eerste vraag is dan logischerwijze de volgende : onder welk regime valt u ?

De regionale belastingvermindering betreft de ‘eigen’ woning. “De ‘eigen’ woning is de woning die de belastingplichtige als eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker tijdens het belastbaar tijdperk :

  1. ofwel zelf betrekt (d.w.z. waar hij effectief woont)
  2. ofwel zelf niet betrekt om één van volgende redenen :
    1. beroepsredenen
    2. redenen van sociale aard
    3. wettelijke of contractuele belemmeringen die het de belastingplichtige onmogelijk maken om de woning zelf te betrekken
    4. de stand van de bouw- of verbouwingswerkzaamheden die het de belastingplichtige onmogelijk maken om de woning daadwerkelijk te betrekken.”

Hierna volgt een praktisch voorbeeld ter illustratie:

{{NEWSLETTER_BOX}}

Sofie woonde in Namen tot 31 juli 2014 in een woning waarvan ze eigenares is. Ze heeft een lening afgesloten op 1 januari 2012 voor deze woning. Op 1 augustus 2014 is ze verhuisd met haar partner in een woning die ze samen hebben aangekocht in Antwerpen. Sofie beslist daarna om het pand in Namen te verhuren.

  1. Ze voldoet aan de voorwaarden om van de regionale belastingverminderingen of belastingkredieten tot 31 juli 2014 te genieten. Het is nochtans het Vlaams Gewest dat bevoegd zal zijn omdat haar fiscale woonplaats er zich bevindt op 1 januari van het aanslagjaar (1/01/2015).
  2. Vanaf 1 augustus verandert de bevoegdheid. Deze wordt federaal omdat de woning niet meer als ‘eigen’ beschouwd kan worden.
  3. Dit leidt tot een opsplitsing tussen de betalingen gedaan ter terugbetaling van de lening vóór en na 1 augustus 2014. Neem een maandelijkse terugbetaling in kapitaal en interesten van 1.000 Eur. Dat geeft dus 7.000 Eur. betaald vóór 1 augustus en 5.000 Eur. betaald na 1 augustus.
  4. Deze bedragen worden fiscaal beperkt. Sofie zal deze niet volledig kunnen aangeven maar slechts maximaal voor 2.280 Eur. Het bedrag gelinkt aan de ‘eigen’ woning moet worden aangegeven in rubriek B, Vak IX van de aangifte. Het bedrag betreffende haar tweede goed (in dit geval vanaf 1 augustus) moet worden aangegeven in rubriek C, Vak IX.
  5. Rubriek B heeft steeds voorrang op rubriek C. Dus indien Sofie 2.280 Eur. overschrijdt in rubriek B, zal niets mogen worden aangegeven in rubriek C. Indien ze bijvoorbeeld de grens van 2.280 Eur. niet overschrijdt in rubriek B (stel een terugbetaling van 200 Eur. per maand), moet ze 1.400 Eur. aangeven in rubriek B en 1.000 Eur. (hier beperkt tot 880 Eur.) in rubriek C.

Het is noemenswaardig dat deze “opsplitsing” niet zal vermeld worden op het attest die u zal ontvangen van uw bank. U moet ze dus zelf maken.

Bron: www.mysavings.be

 

Lees ook:

Is de fiscale aangifte van dit jaar echt moeilijker?

Elk jaar opnieuw komt samen met de zomer de verplichting om de aangifte in de personenbelasting in te vullen.

Elk jaar opnieuw komt samen met de zomer de verplichting om de aangifte in de personenbelasting in te vullen. Indien u opteert voor een papieren aangifte, heeft u tot eind juni de tijd om deze in te vullen. Indien u daarentegen uw aangifte doet via Tax-on-web, dan heeft u tot 15 juli. De vergeetachtigen of laatkomers kunnen steeds een beroep doen op een boekhouder om de aangifte in hun plaats te doen en van de langere indieningstermijn te genieten.

Maar indien u, zoals de meeste Belgen, deze zelf wenst in te vullen, is de aangifte van dit jaar echt moeilijker?

{{NEWSLETTER_BOX}}

2 paginas meer, 43 nieuwe codes, dit is wat ons te wachten staat voor de aangifte versie 2015. Dit is de schuld van de zesde staatshervorming die nu de bevoegdheden i.v.m. de eigen woning overhevelt naar de Gewesten. De nieuwe codes zijn van groot belang. Zij laten u immers toe om uw hypothecaire lening af te trekken. Ze worden echter niet vooraf ingevuld door de fiscale administratie, hetgeen kan leiden tot moeilijkheden. Hoe moet u uw weg terugvinden in dit federaal en regionaal doolhof waar het gemakkelijk is te verdwalen?

De hervorming heeft ook gevolgen voor de toekomstige fiscale afrekken i.v.m. uw eigen woning. Welke regionale fiscale voordelen zijn van toepassing voor uw ‘eigen woning’ voor de leningen afgesloten vanaf 1/1/2015? Wat zijn de fiscale gevolgen indien ik verhuis in 2015 of later?

Hier heeft u een aantal vragen en gevallen die zich zullen stellen bij het invullen van uw aangifte:

  • Wat wordt er precies begrepen onder ‘eigen woning’?
  • Ik ben verhuisd naar een ander Gewest in 2014?
  • Ik heb een nieuw pand gekocht en ben tijdelijk eigenaar van 2 goederen geweest?
  • Ik heb een hypothecair krediet afgesloten vóór volgende data:
    1/1/1993
    1/1/2005
    1/1/2014
    Na 1/1/2014
  • Ik neem de vakken van mijn vorige aangifte gewoon over, want mijn situatie is niet veranderd, opgelet!
  • Ik ben eigenaar van meerdere goederen.

In de volgende nummers zullen deze praktijkgevallen uitgelegd worden aan de hand van voorbeelden en zullen we vermelden wat u moet doen zodat u maximaal kan genieten van de fiscale aftrekken waarop u recht heeft.

Bron: www.mysavings.be

Lees ook:

Dit moet je weten als je investeert in het huis van je partner

Als je geld investeert in een huis of appartement dat eigendom is van je partner, dan is het niet altijd even eenvoudig dat te recupereren als je uiteengaat. Door goede afspraken te maken kan je discussies op dit vlak vermijden.

 

Als je geld investeert in een huis of appartement dat eigendom is van je partner, dan is het niet altijd even eenvoudig dat te recupereren als je uiteengaat. Door goede afspraken te maken kan je discussies op dit vlak vermijden.

Investeren in het huis van je partner? Zet de afspraken op papier Immovlan.be

Het gebeurt geregeld dat een samenwoner of gehuwde geld investeert in een appartement of huis dat eigendom is van zijn partner. Die gelden kunnen bv. dienen om verbouwingswerken te doen (zo bv. om een nieuwe keuken of badkamer te plaatsen) of om de lening van je partner mee af te betalen. Het komt ook geregeld voor dat een huis samen wordt gekocht maar één van de partners daarin meer investeert dan de andere.

 

Komt het dan later tot een breuk in jullie relatie, dan is het niet altijd evident het bedrag dat je (meer) investeerde te recupereren. Het is dan ook aangewezen de nodige voorzorgen te nemen.

 

{{NEWSLETTER_BOX}}

Je woont samen

Woonde je samen dan moet je vooreerst kunnen bewijzen dat je effectief je geld in het huis van je partner investeerde. Dit kan je bv. aantonen door een overschrijving die je deed naar de rekening van je partner voor te leggen. Je kan ook bewijzen bijbrengen dat jij vanuit jouw rekening facturen van een aannemerbetaalde. Gaf je het geld cash aan je partner dan wordt het bewijs heel wat moeilijker. Beweer je dat je meer investeerde dan je partner in de gezamenlijke woonst, dan moet je dat eveneens aantonen.

 

Bovendien moet je ook nog een zogenaamde ‘rechtsgrond’kunnen aantonen om het bedrag terug te vragen. Je moet bv. aantonen dat je een lening gaf die moet worden terugbetaald. Het probleem is dat jij het bewijs moet leveren van de rechtsgrond. De wet zegt bovendien dat overeenkomsten boven de 375 euro in principe moeten worden bewezen met een geschrift. Heb je geen contract opgesteld, dan riskeer je dus het bedrag nooit te kunnen recupereren.

 

Tip : vermijd dan ook discussies op dit vlak. Maak vooraleer je investeert in het onroerend goed van je partner een contract op. Maak hierin afspraken over wat er met je investering gebeurt als je uiteengaat. Je kan bv. bepalen dat de som die je investeerde bij het uiteengaan moet worden terugbetaald al dan niet vermeerderd met intresten. Laat deze overeenkomst op papier zetten door een specialist.
 

Scheiding van goederen

Ben je getrouwd onder een stelsel van scheiding van goederen, gelden in grote lijnen dezelfde regels als deze die gelden voor samenwoners. Je kan dan eventueel nog bijkomend argumenteren dat je een schenking deed. Echtgenoten kunnen een schenking die ze deden aan de andere echtgenoot nu eenmaal herroepen (samenwoners kunnen dat integendeel niet). Ook hier geldt weer dat je het bewijs moet leveren van de rechtsgrond.
 

Wettelijk stelsel

Ben je getrouwd zonder huwelijkscontract (of onder een stelsel van scheiding van goederen en gemeenschap van aanwinsten) dan geeft de wet een aantal specifieke vergoedingsregels aan die bv. gelden bij een echtscheiding.

 

De wet zegt welke vergoeding verschuldigd is als het gemeenschappelijk vermogen geïnvesteerd is in een onroerend goed dat eigendom is van je echtgenote alleen. De wet bepaalt ook welke vergoeding verschuldigd is als jij je eigen gelden investeerde in een gemeenschappelijk onroerend goed. Concreet heeft het vermogen dat gerechtigd is op de vergoeding minimaal recht op terugbetaling van het geïnvesteerde bedrag. Je kan echter ‘meer’ krijgen als het goed een waardevermeerdering onderging.

 

Een voorbeeldje kan dit verduidelijken…

Stel bv. dat je 50.000 euro eigen gelden investeerde bij de aankoop van een gemeenschappelijk huis. Dit kostte bij de aankoop 200.000 euro. Is de woning bij de echtscheiding 300.000 waard, dan kan je 75.000 euro vergoeding vragen in plaats van de 50.000 euro die jeinvesteerde.

 

Investeerde je met eigen gelden in een eigen onroerend goed van je echtgenoot, dan geldt die wettelijke regeling niet. In dat geval zijn de principes van toepassing die gelden voor echtgenoten die getrouwd zijn onder een stelsel van scheiding van goederen.

 


Tekst: Jan Roodhooft, advocaat